Dagboek van een bange galgo – Yolo vertelt over zijn nieuwe Susje

Hallo allemaal. Ik mag van mam zelf iets vertellen. Ze zegt dat ik nu wel stoer genoeg ben om dat te doen. Ik heb tenslotte een heel belangrijke taak volbracht. Iets waarvan ik een paar maanden geleden nooit gedacht had dat ik dat zou kunnen. Samen met René en Nicole ben ik namelijk op 11 mei naar Ospel afgereisd om een nieuw familielid op te halen.

Ik zal even bij het begin beginnen …
Het begon allemaal eind januari. Het jachtseizoen in Spanje was al eerder afgelopen vanwege een akelige konijnenziekte, dus al een paar weken werden er dagelijks honden gedumpt of afgegeven bij asielen. Zwervende honden moesten zoveel mogelijk gevangen worden, zodat ze veilig zouden zijn.
Op Facebook lieten ze steeds zien welke hondjes er allemaal gered waren. Pap en mam keken elke
dag en toen hoorde ik ze een keer zeggen dat er best nog plek was voor een extra hondje. Eentje die misschien niet zo snel voor adoptie in aanmerking zou komen, net zoals ik. Eentje met een handicap, een heel bange of juist een oudere hond bijvoorbeeld. Op een zekere middag zat mam bij de computer met tranen in haar ogen naar een filmpje te kijken van een hondje dat even daarvoor ergens in Salamanca opgehaald was. Compleet uitgemergeld. Een oud, wit, pluizig meisje van een jaar of acht, wat er zo lamgeslagen bij stond. Pap kwam ook naar het filmpje kijken en zei tegen mam dat ze maar moest mailen. Als dit hondje goed door de kattentest zou komen dan mocht ze wel bij ons komen wonen. Twee dagen later kregen ze al bericht dat de hond er lief reageerde op de katten, dus haar lot werd bezegeld met een reservering. Het wachten begon …

Het eerstvolgende transport van Scooby naar Nederland was al vol geboekt, dus zij kon nog niet meteen mee. Ze moest wachten tot de volgende rit. Normaal gesproken zou dit ongeveer een week of vier tot zes later zijn geweest, maar om een of andere reden duurde het veel langer dan anders om de bus vol te krijgen. Pas half april leek het erop dat er genoeg honden (en katten) gereserveerd waren om een nieuw transport te gaan plannen. Er kwam een datum om naar uit te kijken, 11 mei. Tjonge, die laatste dagen leken voorbij te kruipen, maar eindelijk was het dan zover. Na drieënhalve maand wachten konden we haar gaan ophalen.

Op die betreffende zaterdagochtend was vooral mam een beetje onrustig, dat voelde ik wel, daarom ging ik strak tegen haar aan staan, zodat ze wat gekalmeerd was voordat ze naar haar werk ging (want dat moest eerst). Toen ze een paar uurtjes later thuis kwam, ging ze met ons allemaal een stuk lopen, kregen we weer te eten en pakte ze gehaast wat spullen bij elkaar. Pap was er inmiddels ook, er moest nog snel koffie worden gezet en broodjes gesmeerd voor onderweg. Er werd gedag gezegd tegen Moos, Dirk en Cuqui, maar ik kreeg mijn tuig om en mocht mee. Ik vind het niet zo fijn als ik lang ‘alleen’ thuis moet blijven, maar ze vonden het ook een goed idee dat ik dan op de terugweg het nieuwe hondje gezelschap kon houden.
Na twee uur rijden kwamen we even voor tien uur in Ospel aan. We moesten snel naar binnen, want
de bus was er al. We waren precies op tijd om dat witte, harige ding uit de wagen getild te zien worden.
In die grote hal werd ik ineens heel bang, er kwamen allemaal herinneringen boven. De geluiden, de geuren, de drukte, de spanning die er hing … Eigenlijk wilde ik maar één ding … weg daar ! Maar ja, die hond moest nog ‘gevangen’ worden, want die liep als een malle rondjes te rennen. Er moest ook nog een tuig gepast worden en adoptiepapieren getekend. Pap nam mij daarom maar mee naar buiten, daar konden we rustig wachten.
Ja hoor, daar kwamen ze uit de deur gestapt, mam en Sus (pap heeft die naam bedacht, vernoemd naar Sus Antigoon, een spook uit de Suske en Wiske verhalen). Sus had, net als ik, een prachtige halsband om gekregen. Een kadootje van ‘peettante’ Carina.
Eindelijk konden we naar huis. In de auto stond ze de eerste tijd heel nieuwsgierig uit het raam te kijken, maar ze gedroeg zich verder alsof ze al heel lang bij ons hoorde. Zij was niet bang, zelfs niet
een beetje onzeker, zo knap. Na een poosje kwam ze lekker tegen mij aan liggen en sliepen we tot
we in Hoek van Holland aan kwamen.


Ik ging als eerste naar binnen en zei tegen Moos dat hij zachtjes moest doen en zich niet uit meteen zo uitsloven, dat deed hij netjes. Tegen Dirkie had ik gezegd dat hij niet lelijk mocht doen tegen haar. Dirk heeft namelijk een bloedhekel aan witte, harige honden. Maar Dirkie is een beetje een brombeertje en begon tóch te grommen tegen Sus. Snel ging ik er tussen staan. Ik schrok van mezelf … deed ik dat nou echt ? Was ik nou echt die ‘knight in shining armor’ die het prinsesje stond te beschermen ?
Al snel werd duidelijk dat ze mijn bescherming niet heel hard nodig had, want ze ging vrolijk kwispelend de hele benedenverdieping en tuin inspecteren. Ook nam ze al wat water en brokjes, de knapperd.
De kennismaking met de katten ging ook goed, hoewel Kees en Toet een tikkie argwanend waren.
Een uurtje later gingen we een blokje om voor een plas. Vol bewondering heb ik naar haar gekeken, omdat zij niet uit haar tuig wilde springen van angst voor auto’s en vreemde mensen.
’s Avonds heb ik haar wel moeten laten zien hoe je een trap op loopt, want dat kende ze natuurlijk nog niet. Ze mocht bij mij op het grote bed komen liggen. Eerst was ze erg aan het hijgen, ze voelde zich blijkbaar toch wat ongemakkelijk, maar omdat ze zag dat ik heel ontspannen onder mijn dekentje lag, werd ze rustiger en viel ze al snel als een blok in slaap. Ze heeft ons allemaal wel een poosje wakker gehouden, want tjonge, wat kan zij hard snurken, zeg.

Sus is er nu ruim anderhalve week. Het was de eerste dagen, op zijn zachtst gezegd, even wennen.
Ze heeft pap en mam een paar keer bijna tot waanzin gedreven (grapje). Wat een ondernemend vrouwtje is ze. Alles wat ze ziet kan ze gebruiken, lijkt wel. Ze sleept de gekste dingen met zich mee; kussens, dekentjes, schoenen, limonadeflessen, een jas, de gieter, een net voor over de aanhanger,
ze liep zelfs met een accuboormachine te sjouwen. Ook haalt ze prullenbakken leeg en pakt ze spullen van het aanrecht als ze erbij kan. Steeds hoor ik mam dan zuchten (wel met een lach, hoor). Sus luistert nog niet echt naar haar naam, maar volgens mij denkt ze dat ze ‘NEE’ heet, want dat klinkt hier wel een paar keer per dag hahaha!
Ondanks dat ze soms een beetje ondeugend is en nog een hoop dingen moet leren, zeggen pap en mam wel steeds dat ze stapelgek op haar zijn. Ze is namelijk heel erg lief, zachtaardig en knuffelig.
En als ze je dan aankijkt met dat schattige snoetje en haar lichtgele oogjes, dan smelt je helemaal.
Je kan alleen maar van haar houden!
De dag dat we haar ophaalden, had Fermin tegen pap gezegd “She is adorable. I know her, she really is!” (hij vond het bijna jammer dat ze wegging). We kunnen alleen maar zeggen dat Fermin helemaal gelijk had.

Yolo